
Het Verschil tussen MIG en MAG lassen draait om één kernpunt: het beschermgas en wat dat gas doet met jouw las. Beide processen werken met een lasdraad die automatisch wordt aangevoerd en een gaswolk die je smeltbad beschermt. Toch voelt het in de hand meteen anders, de boog reageert anders en je las ziet er anders uit. Als je dit verschil snapt, voorkom je gedoe zoals extra spat, porositeit of te weinig inbranding.
Wat is het verschil tussen MIG en MAG lassen?
MIG lassen gebruik je met inert gas dat niet reageert, vaak argon of een argon mix. MAG lassen gebruik je met actief gas dat wel reageert, vaak CO2 of een mengsel met CO2. Daardoor is MAG meestal wat feller en geeft het sneller stevige inbranding op staal. MIG voelt vaak rustiger en wordt veel gebruikt bij aluminium en bij werk waar afwerking belangrijk is.
Beschermgas: inert versus actief in de praktijk
Inert gas helpt je om een stabiele boog te houden en het smeltbad netjes te laten vloeien. Actief gas kan je net die extra beet geven in het materiaal, maar je krijgt sneller spat als je instellingen niet kloppen. Daarom zie je MAG vaak bij productie en constructiewerk waar snelheid telt. MIG zie je vaker bij preciezer werk waar je een strak lasbeeld wilt zonder veel nabewerking.
Wanneer kies je argon, CO2 of mixgas?
Argon past goed als je gecontroleerd wilt lassen en zeker bij aluminium wil je meestal geen gedoe met een onrustige boog. CO2 is een sterke keuze voor staal als je wilt dat de las echt pakt en je door kunt. Mixgas is populair omdat je vaak minder spat krijgt dan met puur CO2 en toch genoeg inbranding houdt. De slimste aanpak is kiezen op materiaal én op eindresultaat, dus tempo, lasbeeld en nabewerking.
Gasflow en druk: zo beïnvloeden ze je las
Te weinig gas geeft porositeit en een las die er dof of onregelmatig uit kan zien. Te veel gas klinkt misschien veilig, maar kan juist wervelingen geven waardoor je bescherming slechter wordt. Bij tocht op de werkplek gaat het vaak mis, dan waait je gaswolk weg en krijg je rommel in je las. Een goede flow voelt constant en je ziet het terug in een rustig smeltbad zonder gaatjes.
Materialen en toepassingen: staal, RVS en aluminium
Staal wordt het vaakst met MAG gelast omdat het snel werkt en goed inbrandt bij constructieklussen. RVS kan met MIG of MAG, maar veel lassers sturen op een netter lasbeeld met een argon mix. Aluminium wordt meestal met MIG gelast met argon omdat je een stabiele boog nodig hebt en aluminium gevoelig is. Kijk ook naar de toepassing, een zichtlas vraagt meer controle dan werk dat later wordt geslepen of afgewerkt.
Instellingen en draadsnelheid: wat verandert er echt?
Draadsnelheid bepaalt hoeveel warmte en materiaal je inbrengt, dus je lasbeeld verandert snel als je eraan draait. Bij MAG wil je vaak genoeg pit in de boog zonder dat je las gaat spetteren. Bij MIG draait het vaak om rustig vloeien en controle houden, vooral bij dunner materiaal of aluminium. Als je boog hapert, je las hoog op ligt of je juist doorbrand ziet, dan zit je meestal mis met de combinatie van spanning en draadsnelheid.
Checklist: verschil tussen MIG en MAG lassen snel kiezen
Kies je materiaal eerst, staal wijst vaak naar MAG en aluminium wijst vaak naar MIG. Bepaal daarna je prioriteit, wil je snel door met stevige inbranding of wil je vooral een strak lasbeeld met weinig nabewerking. Check de werkplek, bij tocht moet je extra scherp zijn op gasflow en afscherming. Sluit af met een snelle proeflas en kijk naar spat, porositeit en inbranding, dan weet je het meteen. Zo maak je in de praktijk sneller de juiste keuze en wordt het Verschil tussen MIG en MAG lassen vanzelf logisch.
.png?resolution=55x55&quality=95)


.png&resolution=320x200&quality=95)



.jpg&resolution=320x200&quality=95)

